“We kunnen mooie slagen maken”

Jaap Ikink

Eén initiatief in een dorp of wijk kan soms een hele groep mensen helpen. Alle reden om vanuit Wmo Werkplaats veel aandacht te schenken aan de zogeheten collectieve aanpak. Volgens Jaap Ikink van Wmo Werkplaats moeten teams daarbij vooral scherp zijn op patronen.

Medewerkers van de sociale teams horen en zien veel wanneer ze iemand individueel begeleiden op het gebied van werk, jeugd en zorg. Hebben ze in een dorp of wijk vaak met de zelfde problematiek te maken, dan kan het verstandig zijn over te schakelen op een collectieve aanpak.

Scherp op patronen

Ikink klinkt enthousiast als hij een praktijkvoorbeeld geeft van een collectieve aanpak. “Sociaal werkers in het wijkteam Oud Oost in Leeuwarden kregen van verschillende mensen vragen over eenzaamheid. Je kunt ze dan naar een huisarts verwijzen. Maar je kunt ook kijken of er collectief iets te organiseren valt. In het geval van Oud Oost is er een wandelclub opgericht.”

“Kijk naar wat er is en goed gaat”

Om dat voor elkaar te krijgen, moeten sociaal werkers scherp zijn op patronen en informatie delen met collega’s. “Ze moeten oog hebben voor wat er verder in een dorp of buurt gebeurt. Wat voor initiatieven en talenten zijn er voorhanden? Hoe zet je die in om tot een collectieve ondersteuning te komen? Kijk vooral naar wat er al is en goed gaat en niet wat er mis is.”

Verschuiving

Collectivisering maakt ondersteuning meer informeel. Je verwijst niet naar een professional maar naar een initiatief als een wandelclub. Dit is een belangrijk speerpunt van de Wmo Werkplaats. “Wij ondersteunen teams daarin. We helpen ze helder te krijgen wat er in hun omgeving al collectief wordt gedaan. En hoe ze daarbij kunnen aansluiten met hun ideeën over maatschappelijke ondersteuning.”

Volgens Ikink valt er op het gebied van deze kanteling nog veel te bereiken. “Teams kunnen leren van praktijkvoorbeelden. Zo leren ze ook dat er in dezelfde tijd meer rendement kan worden behaald. Belangrijk is dat ze inzien dat collectivisering ook zonder tussenkomst van een sociaal werker tot stand kan komen. Soms ontstaan er initiatieven ‘van onderen af’ die prima functioneren.”

Sociaal werker niet persé nodig

Ikink noemt als voorbeeld de Friese dorpen waar inwoners elkaars tuin onderhouden of boodschappen doen voor elkaar. “In De Fryske Marren wordt een vervoersservice door vrijwilligers gerund. Als je minder goed ter been bent, kun je daar gebruik van maken. Veel voordeliger en leuker dan de taxi.”

Bruggen slaan

Wmo Werkplaats wil stimuleren dat er meer gebruik wordt gemaakt van dit soort initiatieven. Of, als dergelijke collectieve initiatieven er niet zijn maar wel het antwoord zouden zijn op een bepaalde problematiek, dat sociale teams nieuwe initiatieven mede mogelijk maken door ondersteuning te bieden. Stip aan de horizon is, volgens Ikink, het verduurzamen van collectivisering. “Mensen met elkaar in contact brengen vóórdat er problemen zijn. Op dat vlak kunnen er met een collectieve aanpak mooie slagen worden gemaakt.”

Mooie slagen worden er ook gemaakt in de uitwisseling tussen onderwijs en praktijk. De vele studenten die in het werkveld actief zijn als onderzoeker en stagiair, brengen theoretische kennis – bijvoorbeeld vanuit de minor Welzijn nieuwe stijl – naar de praktijk. Andersom steken ze het nodige op van wat er in het veld gebeurt, wat weer gebruikt wordt om het curriculum aan te scherpen. Jaap heeft daar al mooie voorbeelden van gezien en verwijst ook naar het interview met Reina Hes.

Collectieve aanpak

“We kunnen mooie slagen maken”

Jaap Ikink

Eén initiatief in een dorp of wijk kan soms een hele groep mensen helpen. Alle reden om vanuit Wmo Werkplaats veel aandacht te schenken aan de zogeheten collectieve aanpak. Volgens Jaap Ikink van Wmo Werkplaats moeten teams daarbij vooral scherp zijn op patronen.

Medewerkers van de sociale teams horen en zien veel wanneer ze iemand individueel begeleiden op het gebied van werk, jeugd en zorg. Hebben ze in een dorp of wijk vaak met de zelfde problematiek te maken, dan kan het verstandig zijn over te schakelen op een collectieve aanpak.

Scherp op patronen

Ikink klinkt enthousiast als hij een praktijkvoorbeeld geeft van een collectieve aanpak. “Sociaal werkers in het wijkteam Oud Oost in Leeuwarden kregen van verschillende mensen vragen over eenzaamheid. Je kunt ze dan naar een huisarts verwijzen. Maar je kunt ook kijken of er collectief iets te organiseren valt. In het geval van Oud Oost is er een wandelclub opgericht.”

“Kijk naar wat er is en goed gaat”

Om dat voor elkaar te krijgen, moeten sociaal werkers scherp zijn op patronen en informatie delen met collega’s. “Ze moeten oog hebben voor wat er verder in een dorp of buurt gebeurt. Wat voor initiatieven en talenten zijn er voorhanden? Hoe zet je die in om tot een collectieve ondersteuning te komen? Kijk vooral naar wat er al is en goed gaat en niet wat er mis is.”

Verschuiving

Collectivisering maakt ondersteuning meer informeel. Je verwijst niet naar een professional maar naar een initiatief als een wandelclub. Dit is een belangrijk speerpunt van de Wmo Werkplaats. “Wij ondersteunen teams daarin. We helpen ze helder te krijgen wat er in hun omgeving al collectief wordt gedaan. En hoe ze daarbij kunnen aansluiten met hun ideeën over maatschappelijke ondersteuning.”

Volgens Ikink valt er op het gebied van deze kanteling nog veel te bereiken. “Teams kunnen leren van praktijkvoorbeelden. Zo leren ze ook dat er in dezelfde tijd meer rendement kan worden behaald. Belangrijk is dat ze inzien dat collectivisering ook zonder tussenkomst van een sociaal werker tot stand kan komen. Soms ontstaan er initiatieven ‘van onderen af’ die prima functioneren.”

Sociaal werker niet persé nodig

Ikink noemt als voorbeeld de Friese dorpen waar inwoners elkaars tuin onderhouden of boodschappen doen voor elkaar. “In De Fryske Marren wordt een vervoersservice door vrijwilligers gerund. Als je minder goed ter been bent, kun je daar gebruik van maken. Veel voordeliger en leuker dan de taxi.”

Bruggen slaan

Wmo Werkplaats wil stimuleren dat er meer gebruik wordt gemaakt van dit soort initiatieven. Of, als dergelijke collectieve initiatieven er niet zijn maar wel het antwoord zouden zijn op een bepaalde problematiek, dat sociale teams nieuwe initiatieven mede mogelijk maken door ondersteuning te bieden. Stip aan de horizon is, volgens Ikink, het verduurzamen van collectivisering. “Mensen met elkaar in contact brengen vóórdat er problemen zijn. Op dat vlak kunnen er met een collectieve aanpak mooie slagen worden gemaakt.”

Mooie slagen worden er ook gemaakt in de uitwisseling tussen onderwijs en praktijk. De vele studenten die in het werkveld actief zijn als onderzoeker en stagiair, brengen theoretische kennis – bijvoorbeeld vanuit de minor Welzijn nieuwe stijl – naar de praktijk. Andersom steken ze het nodige op van wat er in het veld gebeurt, wat weer gebruikt wordt om het curriculum aan te scherpen. Jaap heeft daar al mooie voorbeelden van gezien en verwijst ook naar het interview met Reina Hes.